|
|
|
Het baardkonijn Iedereen heeft al wel gehoord over de "Vereniging voor het behoud van zeldzame huisdierrassen". Dit lovenswaardige initiatief betracht het genetisch erfgoed te vrijwaren dat dreigt verloren te gaan, hetgeen aardig is gelukt met het Zwartblesschaap en de kleine Ouessant. Naargelang het ras dat de liefhebber reeds bezit, zijn de Deilenaar, de Rode Nieuw-Zeelander, de Thuringer en zeker de Bourgondiër, wegens hun goede conformatie veruit te verkiezen. Voor de zwarte kleurslag kunnen de Alaska, die zwarte Nieuw-Zeelander en de zwarte of blauwe Wener in aanmerking komen; zelfs de Belgische Zilver. In onze kleinveesector wordt het veiligstellen van het zeldzame Baardkonijn nagestreefd en we achten het verantwoord daaraan mee te werken. De eerste kennismaking met het ras gebeurde in 1962 en ´63 op de T.T. van het K.M. "Het Neerhof" te Gent, waar het werd ingezonden door de heer Raoul Verwulgen. Hij noemde het `Gentse Baarden´. Naar zijn eigen schrijven bracht hij een paar dieren mee uit Frankrijk tijdens zijn vakantiereis. Ze werden hem geschonken door een zonderling die midden in de bossen leefde. Prof. Willems moedigde hem aan met de dieren verder te kweken en ze voor te stellen als een nieuw ras. Daar bleef het echter bij, want het derde jaar werd het ras niet meer voorgedragen, wat een vereiste is om aangenomen te worden. Zonder de inzet van de VBZH zou er geen sprake meer zijn en dat ware spijtig. Het Baardkonijn is een zonderlinge combinatie van een angorakop op een gladharig lichaam. Verder is het ras in haar kweek alles gelijk aan andere middenzware rassen. Doch door het zeer beperkt aantal dieren zijn inteelt implicaties te vrezen. Geen nood, zolang we over één dier beschikken is een bedreigd ras te redden. Precedenten bewijzen het: bijvoorbeeld hoe de Havana werd behouden door de enige overgebleven ram te paren aan een rusvoedster. Wij hopen de Gentse Baarden eerlang op een tentoonstelling te kunnen zien. Ten andere hebben we alle voordeel bij het kruisen: in eerste instantie met Angora. Met wat selectie bekomen we ons ras met ronde koppen en oorpluimpjes terwijl op het lichaam het gladhaar als dominante factor behouden blijft. Angora´s laten niet na op T.T. het publiek te bekoren, maar ze worden slechts beperkt gefokt uit hoofde van de vereiste zorgen om het klitten van de wol te voorkomen. Het Baardkonijn zou dit euvel omzeilen. Anderzijds zouden kruisingen dienstig zijn om bij andere rassen mooi behaarde koppen met volle wanten te verkrijgen zonder dat de pels slap en wollig wordt, zoals bij angora kruisingen. Daarbij zouden dergelijke kruisingen het model en gewicht van het baardras verbeteren, dat nu schommelt tussen 4,5 en 6 kg. Een Gentse baard van 4 a´ 5 kg zou benevens de sport, het ras efficiënt maken als slachtdier en derhalve het een grotere aanhang bezorgen. Na bouw en type is de kleur aan de beurt. Oorspronkelijk is het konijngrijs. De voorkeur blijkt nu te gaan naar zwart, vaal en vooral haaskleur. Het is niet gewenst al te veel kleurslagen te scheppen, dat is zeker ten nadele van ander eigenschappen. Betreffende de haaskleur is het eenvoudig de roodfactor in te brengen, wel in achtnemend dat de brede korte kop met oren van 11 cm en het gedrongen halslos lichaam van een ideaal slachtdier behouden blijft. Het gebruik van de Belgische Haas met zijn langgestrekt type, smalle kop en dito poten en oren is totaal in tegenstrijd met wat we van het Baardkonijn verlangen. Let wel dat een baard alleen geen ras uitmaakt. Voor de amateurs die gebrand zijn op curiosa en tevens een flinke bout wel waarderen, is het Baardkonijn een kluifje naar hun tand. Konijnenliefhebbers die toch meerdere rassen fokken en graag experimenteren, neem er eens een paar Baarden bij! Het is een uitdaging en het zo onze staalkaart verrijken. Voor het verkrijgen van Baardkonijnen kunt u zich best wenden tot de baardkonijn-fokkers
Le type est cylindrique et allongé - non trapu. La conformation est robuste et bien arrondie avec une poitrine et un arrière-train larges. La nuque est courte et puissante. Les pattes sont de force moyenne. La tête présente un chanfrein plutôt court avec le front, aligné dans un même plan. Le nez est assez large, de même que l’espace entre les yeux. Les mâchoires sont bien développées. Vue de face, la tête laisse apparaître une surface triangulaire. La longueur des oreilles mesure de 11,5 – 13,5 cm, elles ont une structure forte et sont portées serrées. Elles sont arrondies à l’extrémité. Min. 3,50 kg - max. 5,00 kg – Idéal 4,25 à 4,75 Kg – toujours 10 points ! La fourrure de couverture (sur le dos, jusque dans les flancs) à une longueur normale, environ de 3 à 3,5 cm. Les oreilles qui ne présentent pas de plumet, le front et les pattes, ont une fourrure normale, plutôt courte. Les poils de la poitrine et du ventre sont d’une longueur normale, un peu plus longs au niveau des aines. Le pelage plus long se manifeste à la base des flancs, plus particulièrement à l’avant (épaules) et sur le côté des cuisses (flancs), où il atteint une longueur de 7 à 8 cm. Cette même structure de poils, d’une longueur d’environ de 6 cm est présente de la nuque, vers les épaules, s’étend d’une mâchoire à l’autre et se trouve latéralement sur la poitrine, en formant la crinière. La base des oreilles est garnie de franges. La fourrure de la couverture n’est pas trop riche en sous-poils. Les poils recteurs sont bien développés. Le pelage long à une structure de poils comme l’angora. Rappel de la description ‘ANGORA’ : La fourrure au pelage normal : sur la couverture, au front, aux oreilles, aux pattes et au ventre. Le pelage long : aux franges, à la nuque, aux mâchoires et sur la poitrine (crinière). Cette caractéristique existe aussi à l’avant (épaules); aux cuisses (flancs), mais est à juger en relation avec l’âge du sujet.
La variété la plus répandue est le gris lièvre, mais les autres couleurs reconnues sont admises. Elles devront être appréciées conformément aux prescriptions spécifiques relatives à la teinte concernée. La coloration est toujours plus soutenue aux endroits, où le pelage plus court se manifeste : les oreilles, le front, la couverture, les pattes. La couleur du ventre doit correspondre avec la description de la variété. Cf. généralités DEFAUTS LEGERS Léger écart de type (un peu massif, un peu long ou un peu court), légère déviation par rapport à la forme de la tête (chanfrein un peu busqué, trop étroit entre les yeux, nez un peu fin). Autres défauts légers de conformation et de couleur, valables pour les autres races. Légères déviations par rapport aux caractéristiques définies pour la fourrure. DEFAUTS GRAVES Grand écart de type, de la forme de la tête, chanfrein busqué. Grave défaut de conformation. Couleur des yeux sans relation avec la couleur de couverture. Mélange de couleurs, dessin du bariolé. Défauts importants dans les caractéristiques de la fourrure (trop courte sur les flancs - crinière manquante - fourrure trop longue sur le corps - présence de plumet d’oreille). |