Gans van de Vire en de Ton

Home
Duiven
Hoenders
Konijnen
Krielen
Park- en watervogels
Neerhofnieuws
Recepten
Nuttige links
Contact

Tegenwoordig worden er in België zo goed als geen ganzen meer gehouden voor productiedoeleinden, dit in tegenstelling tot onze buurlanden Frankrijk en Duitsland waar ze nog veel gehouden worden, ook door particulieren, voor de productie van ganzenlever of als hoofdschotel voor het KerstmaaI. In ons land ziet men nochtans overal langs de wegen wel wat rasloze ganzen die meestal als enige doel hebben het verwilderen van tuinen en het welig tieren van allerhande onkruiden tegen te gaan. Echte fokkers van rasganzen zijn een grote zeldzaamheid. Een 1OO-tal jaar geleden was de situatie echter heel anders. Toen werden in sommige streken heel wat ganzen gehou­den op vrij grote schaal en dit zowel voor de productie van veren (dons) als vlees. Uit deze lokale populaties zijn door selectie enkele streekgebonden rassen ontstaan die echter nooit een grote verspreiding gekend hebben. Het bekendste van deze rassen is ongetwijfeld de Vlaamse gans die in Vlaanderen nog her en der gefokt wordt door enkele idealisten. Zelden zien we ze ook nog eens op een tentoonstelling, meestal in een eerder matige tot gemiddelde kwaliteit. De reden daarvan is hoogstwaarschijnlijk de te beperkte jaarlijkse nafok om duidelijk vooruitgang te kunnen boeken. Op zich is dit echter goed te begrijpen want fokken met ganzen is minder interessant dan bij het fokken van eenden. Belangrijkste reden is dat de afzetmarkt voor overtollige dieren zeer beperkt is, mede door het feit dat de gans geen plaats heeft in de Belgische keuken. Daarnaast vragen ze behoorlijk wat oppervlakte wil men de uitloop niet binnen de kortste keren herschapen zien in een kaalgevreten zandvlakte. Ondanks al deze moeilijkheden heeft de Vlaamse gans zich toch weten stand te houden tot op de dag van vandaag en is er toch regelmatig nog vraag van potentiële nieuwe fokkers naar enkele goede kweekdieren. Helaas zijn deze erg schaars waardoor soms dan toch maar de stap gezet wordt naar ordinaire 'boerenganzen' .

Veel slechter nog is het gesteld met de lokale rassen uit het zuiden van ons land. Deze zijn decennia lang van de aardbol verdwenen door gebrek aan interesse. Bovendien is van deze ras­sen ook bitter weinig informatie terug te vinden en de bestaande literatuur is weinig zeggend en weinig consistent. Halfweg de jaren negentig ontstond er dan plots vernieuwde interesse in de Gans van de Vire en de Ton, een lokaal productieras uit het zuiden van de provincie Luxemburg. Enkele enthousiaste fokkers hebben toen het plan opgevat om dit oude ras opnieuw te fokken en te verspreiden. Met behulp van lokale grauwe gedomesticeerde ganzen en enkele uit Frankrijk ingevoerde dieren werd een vrij succesvolle poging tot herschep­ping ondernomen. Begin jaren 2000 zijn de resultaten hiervan zelfs enkele malen op een lokale tentoonstelling getoond en zelfs tot twee maal toe op Agribex. De getoonde dieren waren kwalitatief gezien een stuk beter dan de ge­middelde Vlaamse gans zodat er even hoop was op een toekomst voor deze naar twee rivieren genoemde gans. Helaas is ze intussen alweer bijna geheel van het toneel verdwenen. In december 2006 werd de nieuwe gedetailleerde standaard opgemaakt door de standaardcommissie.

 

Begin jaren 1900 schreef Louis Vander Snickt sr. een interessant stukje in Chasse et Pêche over de manier waarop de Gans van de Vire en de Ton traditioneel gehouden werd in haar streek van herkomst. Dit willen we U niet onthouden.

 

"Op ieder erf werden enkele ganzen gehouden. Deze vogels worden iedere morgen geweid en keren s'avonds terug naar huis. De hoeder, een jongeman uit het dorp, begint op een vast tijdstip aan zijn traject, gewapend met een zeer lange stok waarvan het uiteinde voorzien is van een vod. Naargelang hij voorbij de huizen passeert, geeft hij een signaal en de ganzen komen de groep vervoegen die steeds groter wordt naarmate hij verder trekt door de vallei waardoor de twee rivieren stromen, de Vire en de Ton, die samensmelten in Virton.

Na de graanoogst gaan de ganzen op zoek naar voedsel in de velden en zoeken de korrels van de tarwe bij elkaar die op de grond gevallen zijn. Tarwe werd immers zeer veel geteeld in deze streek. Na de tarwe volgde de haver en na de haver, ttz in oktober, zijn de kleine ganzen omgetoverd in smakelijke 'vetbollen'. De ganzen werden ook drie keer geplukt. De specialiteit van deze ganzen was delicatesse vlees voort te brengen met een reputatie zonder gelijke.

De ganzenhoeder, zoals reeds aangegeven, drijft de troep en brengt hem' s avonds weer terug. Al naargelang de richting die hij aangeeft met zijn stok, beweegt de troep zich naar links of naar rechts. Maar de ganzenhoeder is niet de echte commandant. Zeer vaak doen ze niets anders dan hem de clown doen uithangen. De troep kent slechts één leider en dat is de gent die domineert door de lengte van zijn hals. De hoeder kan doen, laten en bevelen wat hij wil, de ganzen gehoorzamen alleen deze gent. Deze laatste wil zich zeer vaak wel gedragen naar de wil van de hoeder  maar uiteindelijk is hij het toch die de signalen geeft en de groep comman­deert. Tijdens het marcheren, loopt hij steeds vooraan. De ganzen zijn zeer rustig, zeker naar oktober toe. Het gebeurt vaak dat ze de hoeder in de steek laten en voor hem zit er dan niks anders op dan gewoon terug naar huis te keren. Soms vliegen de ganzen terug naar huis in een grote groep waardoor de lucht donker wordt maar steeds zullen de juiste dieren landen achter op hun eigen erf." (vertaling: Andy Verelst)

 

STANDAARD

Herkomst: Een oude en primitieve landgans uit de Gaume (Belgisch Lotharingen); is sterk verwant met de Elzasser gans. Het type lijkt ook op dat van de Vlaamse gans, maar de Gans van de Vire en de Ton is wel iets kleiner en heeft nog minder buik. Ze werd vooral voor het vlees gefokt; in de Elzas voor ganzenlevers.

Algemene kenmerken: De Gans van de Vire en de Ton is een kleine landgans. Ze is een zuivere afstammeling van de Westelijke grauwe gans (Anser anser anser): de hals is vrij kort en heeft een oranjegele snavel.

Eigenschappen: Gehard ras en goede grazer. Broedt gemakkelijk en goede moeder.

Gewicht: Volwassen gent 4,5 kg, volwassen gans 4 kg.

Ringmaat: Gent 22 mm, gans 22 mmo

Vormbeschrijving (type+ kleur van de niet-bevederde delen)

 

Algemeen: Een kleine landgans, zonder enig spoor van wammen en vrij korthalzig. Lichaam amandelvormig met de buik weinig diep. Houding bijna horizontaal, zeker bij de gans.

 

Gevederte: vol en glad aanliggend.

 

Kop: Vrij krachtig. Schedellijn mooi afgerond. De keel goed uitgesneden en zonder wam.

Ogen: Vrij klein en hoog geplaatst.

Oogkleur: bruin.

Oogrand: fijn; oranje gekleurd.

Snavel: Sterk, krachtig en middellang; hoog ingeplant aan de basis en met rechte bovenlijn. Gebit

goed zichtbaar, maar niet overdreven ontwikkeld. Snavel oranjegeel met bleke boon en gebit.

Hals: Krachtig en vrij kort en dik; weinig of niet vernauwend achter de kop. Gevederte aan weerszij­den duidelijk overlangs gegroefd.

Borst: Vrij breed en niet al te diep (vrijwel zo diep als breed). Geen borstwam.

Buik: Slechts weinig dieper dan de borst en zeker niet uitgezakt. Droog en mooi afgerond onderaan; geen buikwam.

Rug, lenden en stuit: Vlak en vrij breed.

Vleugels: Goed aangesloten en niet gekruist. Staart: Nogal kort en gesloten; horizontaal gedragen.

Poten: Dijen en benedendijen bijna volledig in het gevederte van de flanken schuilgaand. Loopbenen middellang en krachtig; evenwijdig aan elkaar in vooraanzicht. De 3 voortenen goed gespreid en helemaal door de zwemvliezen verbonden; de voetzool klein. De kleur van de loopbenen en tenen (+ zwemvliezen) is rozerood met zo weinig mogelijk oranjegele aanslag. Nagels grauw hoornkleurig.


 

Beoordeling vorm en niet-bevederde delen

Wensen: Zuiver rozerode loopbenen en tenen.

Lichte fouten: Een ietsje te zwaar of te groot. Wat te klein. Iets te lange of te dunne hals. Een kleine enkelvoudige buikwam (Iegwam) bij de volwassen gans. Gekruiste vleugeltoppen. Ogen wat te bleek. Roze kleur in de snaveltop.

Fouten: Wat te zwaar of te groot. Veel te klein. Ietwat bolle bovensnavel. Donkere aanslag in de sna­velboon bij volwassen dier. Hals slank en vernauwend achter de kop. Sporen van dubbele buikwam (buik onderaan niet mooi afgerond). Een duidelijke enkelvoudige legwam. Ogen te bleek.

Zware fouten: Te zwaar of te groot. Uitgesproken bleke ogen. Donkere snavelboon bij volwassen dier. Duidelijke roze snavel. Hals veel te lang en slank. Duidelijke dubbele buikwam. Sterk gekruiste vleugels of vleugels slecht aangesloten. Kleine lichaamsgebreken zoals gescheurde zwemvliezen, ontbrekende nagels, gezwollen voetzool.

Uitsluitingsfouten: Veel te zwaar of te groot (30% buiten het standaardgewicht). Elk spoor van kruising met en ander ras. Zware lichaamsgebreken zoals scheve staart, geknikte hals, steekwiek.

 

Kleurslag: Grauw

Kleur en tekening van het gevederte:

Kop en hals: Gelijkmatig bruingrijs.

Rug en lenden (stuit): Voorrug zwartbruin met bleke zoming. Lenden asgrijs.

Bovenstaart: Wit.

Staartpennen: grauwbruin, breed wit gezoomd; de buitenste staartpennen breder wit gezoomd dan

de binnenste.

 

Voorborst en voorflanken: Gelijkmatig bruingrijs.

Benedenborst: Grauwwit, bruin gewolkt.

Dijen: Donker grauwbruine grondkleur; de veren met een brede en bleke eindzoom.

Buik: Wit.

Schouderveren: Zwartbruin met bleke zoming.

Vleugels: Vleugeldekveren bleekgrauw. Grote slagpennen: bruinzwart, aan de basis van de binnen

vaan bleker; bleke schacht. Kleine slagpennen: bruinzwart met fijne bleke zoom aan de buitenvaan.

 

Beoordeling van de kleurslag grauw:

Lichte fouten: Witte zoom aan de snavelbasis. Enkele zwarte vlekken op de beneden borst. Fouten: Witte kin. Te donkere grondkleur; tekening (zoming) te vaag.

Zware fouten: Zoals bij Fouten, maar meer uitgesproken. Witte veren in de gekleurde delen. Witte slagpen.

Uitsluitingsfouten: Witte veervelden in de gekleurde delen. Meerdere witte slagpennen.