Rode Ardenner kalkoen

Home
Duiven
Hoenders
Konijnen
Krielen
Park- en watervogels
Neerhofnieuws
Recepten
Nuttige links
Contact

Rode Ardenner kalkoen    kopstudie

 

De rode Ardenner is een Frans-Belgisch landras dat is aangepast aan het ruwe klimaat van zijn oorspronkelijk verspreidingsgebied; de Ardennen. Bij dit ras is, zoals de naam het zegt, maar één kleurslag erkend; de rode. De dieren dienen zo egaal mogelijk roodbruin gekleurd te zijn, een zwarte nauwelijks zichtbare zoming is toegestaan. De kuikens van de Rode Ardenner worden donker- tot lichtrood geboren. Het is een licht kalkoenenras met gemiddeld 8 kg voor een volwassen haan en 4 kg voor een volwassen hen. Verder komen de eigenschappen van de Rode Ardenner vrijwel overeen met die van de Ronquirs kalkoen, hoewel de groei van de kuikens iets minder is. Vandaag de dag treffen we regelmatig Rode Ardenners op tentoonstellingen en in het gebied van oorsprong. Op sommige plaatsen in de Ardennen wordt de Rode Ardenner zelfs weer semi-industrieel gefokt voor de alternatieve markt, met bijzondere aandacht voor de kwaliteit van het vlees.

Groepsnaam: Belgische kalkoenen

Nl: Rode Ardenner Kalkoen
Engels: Red Ardenner turkey
Duits: Kupfer puten
Frans: Dindon Rouge d'Ardennes

Herkomst: België, (Frankrijk).

Algemene indruk: Grote hoenderachtige vogel waarvan de haan aanmerkelijk groter is dan de hen. Middelhoog gesteld.

Gewicht:
Oude haan: 8,0 - 9,0 kg. Oude hen: ± 4,5 kg.
Jonge haan: ± 5,0 kg. Jonge hen: ± 3,0 kg.

Vormbeschrijving en kleur:

Lichaam: Lang, krachtig en breed vooral ter hoogte van de schouders, versmalt naar achter naar de staart toe. Warm roodbruin, zo uniform mogelijk over het gehele lichaam glanzend. Een fijne zwarte nauwelijks zichtbare eindzoming is toegestaan voor zover er geen zwarte pepering optreedt in het veerveld.

Kop: Klein, slechts spaarzaam bezet met rode wratjes. De huid blauwachtig, onbevederd. Boven de snavelbasis bevindt zich een kegelvormige vleesuitwas, wiens lengte afhankelijk is van de gemoedstoestand van het dier.

Snavel: Lang en krachtig, iets gebogen. Hoornkleurig met een bleke punt.

Ogen: Ovaal, vol en levendig. Iris zeer donker bruin, pupil zwart.

Keel: Het bovendeel onbevederd, blauwachtig en met rode knobbels omrand. Bevedering warm roodbruin.

Keel lel: Groot en hangend, strekt zich uit tussen de onderkaak aan de snavelbasis en de voorkant van de keel. Roserood tot blauwachtig wit, afhankelijk van de gemoedstoestand van het dier.

Hals: Vrij lang en slank. Warm en rijk roodbruin, een fijne nauwelijks zichtbare zwarte eindzoming is toegestaan.

Rug: Lang en breed, afgerond en iets aflopend naar achter. Warm en rijk roodbruin, zo uniform mogelijk, een fijne zwarte nauwelijks zichtbare eind zoming is toegestaan voor zover er geen zwarte pepering optreedt in het veerveld.

Stuit: Gekleurd als op de rug.

Staart: Goed aangesloten en in het verlengde van de ruglijn gedragen in rust. Warm en rijk roodbruin, zo uniform mogelijk, met zo weinig mogelijk wit. Een fijne zwarte nauwelijks zichtbare eindzoming is toegestaan voor zover er geen zwarte pepering optreedt in het veerveld.

Borst: Goed ontwikkeld en vol; sterk afgerond. Warm en rijk roodbruin, zo uniform mogelijk. Een fijne nauwelijks zichtbare zwarte eindzoming is toegestaan, zonder zwarte pepering in het veerveld.

Borstkwast: Lang, vooral bij overjarige hanen. Zwart.

Buik: Vol en goed gerond, tamelijk kort. Warm en rijk roodbruin, een fijne zwarte nauwelijks zichtbare eindzoming is toegestaan, zonder dat zwarte pepering optreedt in het veerveld.

Vleugels: Goed aangetrokken gedragen. Warm roodbruin, met zo weinig mogelijk wit. Een fijne zwarte nauwelijks zichtbare eindzoming is toegestaan voor zover er geen zwarte pepering optreedt in het veerveld.

Flanken: Worden niet door de vleugels bedekt. Benedendijen krachtig, goed ontwikkeld; bij jonge dieren tevoorschijn tredend, bij volwassen dieren schuilgaand in het gevederte.

Kleur: Warm roodbruin, een fijne nauwelijks zichtbare zwarte eindzoming is toegestaan, voor zover er geen zwarte pepering optreedt in het veerveld.

Poten: Loopbenen: vrij lang, sterk, recht en voldoende wijd geplaatst, en voorzien van sporen. Donkerroze.

Gevederte: Rijk en glanzend. Het ondergevederte is rood tot grijsachtig. De veerschachten roodbruin. Met uitzondering van de slagpennen hebben de veren een recht uiteinde.

Eventuele verschillen tussen de geslachten:
De hen is aanmerkelijk kleiner, en heeft minder vlezige uitwassen aan de kop en keel. De bevedering loopt bijna tot tegen de kop. Soms komt een borstkwast voor, doch deze is niet vereist. De hen mist sporen.

Ernstige fouten:
Grote poot-, snavel- of skelet afwijkingen. Kleur anders dan roodbruin. Volledig witte vleugels (slagpennen). Blauwzwarte loopbenen. Duidelijke sporen bij hennen, en het ontbreken van sporen bij hanen.

Fouten:
Bovenstaande fouten in mindere mate voorkomend. Ruwe of beschadigde bevedering. Teveel wit in vleugel- en staartpennen; witte zoming in de dekveren, zadel en achterflanken. Teveel zwarte pepering in de veren. Geen glans in het gevederte of grondkleur niet warm genoeg. Witte veerschachten of ondergevederte. Donkere loopbenen.

Ringenmaat: Haan 24 mm. Hen 22 mm.

Bijzonderheden:
Broedduur: ± 28 dagen
Geslachtsrijp: Eerste jaar
Luidruchtig: Tijdens de balts en als schrikreactie
Vorstgevoelig: Nee

Andere eigenschappen:
Hebben een zeer goede broedzorg. Een haan kan met meerdere hennen gehouden worden.